DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatámsaka Soetra


Boek Achttien


Verhelderende Methode





Dit is het laatste boek dat (in de meditatieve geest) gesitueerd is op de flanken van berg Meru(1)

De boeken 13 tot en met 18 moeten daarom beschouwd worden als bij elkaar behorend, geschreven door één hand, en/of sprekend vanuit één bepaalde groepering die in zijn totaliteit overeenstemt met de themas van de Avatámsaka Soetra, maar op details de accenten iets verlegt.
Er kan in ieder geval al geconcludeerd worden dat er een aantal praktijken worden aangeboden die de persoon die bodhisattvageloften heeft opgenomen verder helpen, en dit met het oog op zijn toekomstige taak van dienaar van de gehele mensheid, - waar het het onderwijzen van de Boeddha-Dharma aangaat. Die praktijken zijn verre van esoterisch of tantrisch, en het is misschien daarom dat in deze set boeken weinig aandacht wordt gegeven aan de visualisering van de mándala aan werelden — alhoewel dit wel de geestgeschapen plaats is waar de lezer/meditator zich nog steeds bevindt.

Noot
(1) Zie voor Meru de boeken 13 en 17.



In dit achttiende boek vindt een gesprek plaats tussen Bodhisattva Waarheid en Wijsheid en zijn broeder Energieke Wijsheid. De laatste kent de antwoorden op de vragen die hij gaat stellen wel, maar stelt ze toch, om anderen (ons) op weg te helpen.
Zijn vragen gaan over de te volgen weg nadat iemand "de aanvankelijke vaste wil tot Verlichting" heeft opgeroepen.(1)
"Welnu", antwoord Waarheid en Wijsheid, "bij de geestkracht van Boeddha zal ik er een kleinigheid over vertellen."
Wat dan volgt is opnieuw een duizelingwekkend aantal te perfectioneren inzichten en mentale houdingen, zoveel dat iemand de moed in de schoenen zou kunnen zinken.
Die veelheid heeft twee redenen. De eerste is dat het de beoefenaar behoedt voor verwaandheid; gesteld voor zoveel doelen kun je eenvoudig nooit een hoge borst opzetten en menen dat je er al bent.
De tweede reden is dat ieder, afhankelijk van zijn of haar verschillende geaardheid een keuze kan maken en vast een begin kan maken met die trainingsvelden die niet voldoende ontwikkeld zijn.

"Boeddhakind", zegt Waarheid en Wijsheid, "hebben bodhisattvas [met die kleine bee] eenmaal het vaste voornemen opgevat alwetendheid [Boeddhaschap] te bereiken, dan zouden ze de duisternis van onwetendheid moeten verlaten, en zouden ze zichzelf ijverig in de gaten moeten houden — dat er geen laksheid en gemakzucht is.
Houden bodhisattvas zich aan de volgende tien dingen, dan wordt dat afwezigheid van gemakzucht genoemd:
Men dient zich aan de levensregels(2) te houden; men dient dwaas gedrag achter te laten en de wil naar Verlichting(3) te zuiveren. Ten derde ben je oprecht, en wijs je vleierij en bedrog van de hand. Ten vierde cultiveer je de waardigheden(4) zonder een moment van terugval. Ten vijfde overdenk je voortdurend je aspiraties(1). Ten zesde vermijd je het samenleven met dwazen(5), of het nu gewone mensen zijn of monialen. Ten zevende doe je goed zonder omzien. Ten achtste verlaat je voor altijd het Kleine Voertuig en oefen je het pad van de Bodhisattvas. Ten negende schep je vreugde in goed doen en sta je niet toe dat die bron van goedheid opdroogt, en ten tiende ben je je voortdurend bewust van je eigen volhardende kracht.
Houden bodhisattvas zich aan deze tien dingen, dan wordt dat 'verblijven in afwezigheid van laksheid en gemakzucht' genoemd."


Noten
(1) Zie voor de vaste wil boek 3.
(2) Zie voor de levensregels boek 17.
(3) De "wil naar Verlichting": bodhicitta - spreek: boodie tsjieta.
(4) De waardigheden (niráma): boek 12
(5) Dwazen. Hier zou een vorm van gamma gestaan kunnen hebben, met een verwijzing naar de Eerste Leerrede wanneer Boeddha zowel zelfkwelling van de hand wijst als hedonisme. Hij noemt ze de praktijk van lage lieden. Het citaat:


"dve me bhikkhave", twee dingen zijn er, monniken
"antá pabbajitena na sevitabbá". die iemand die thuisloze is geworden niet moet nastreven.
"Yocayám kámesu kámasukhallikánuyogo" Dit zijn: de hang naar hedonisme en die naar zelfkwelling.
"hino gammo putthujhániko..." Ze zijn klein [of laag], iets voor pummels, voor luitjes die er nog niets van begrijpen.

Gamma of gama (zachte g) is letterlijk dorp. Maar omdat in dorpen zeer verheven lieden kunnen wonen wordt hier verwezen naar iets dat wij platvloers, pummels zouden kunnen noemen. Maar ook het woord bāla komt in aanmerking; het betekent eenvoudigweg 'dwaas'. Een putthujhána is iemand die nog niet "de Stroom is binnen gegaan", nog geen "srota-ápanna" is.




Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Naar de eerste bijlage bij boek 18

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme