White Jade River      
juni 2018      






Aan het eind van de negentiende eeuw werd een hele vracht aan perzische literatuur naar het Russisch en Engels vertaald, parallel aan de eerste vertaalpogingen van Sanskriet- en Pali-boeddhistische teksten.
Wat die perzische literatuur aangaat, Anton Rubinstein schreef zijn "Persian Songs", Tchaikovsky vertaalde ze in december 1869 vanuit het Duits naar het Russisch, en in 1892 had deze componist er een op de muziek van een Georgisch slaapliedje gezet, zonder woorden. Het werd op 18 december 1892 als Arabian dance voor het eerst uitgevoerd.
In een Arte-programma van medio mei 2018 over de tuinen van Isfahan, in Iran, vroeger Perzië, werd die "Arabian dance" als achtergrondmuziek gebruikt. Best wel toepasselijk; de kijker/luisteraar kon zich die tuinen bij nacht voorstellen, en vervolgens ook denken aan Victor Hugo's "het is de adem van de nacht" uit "Les Djinns" (c'est l'haleine de la nuit), een gelegenheidsgedicht dat hij schreef op een quatorze juillet. Het verscheen in 1829 in zijn bundel "Les Orientales". Maar dat terzijde.

Lang, lang geleden, toen kinderen nog geen Ipad hadden, was er eens een tekenaar die Edward Julius Detmold heette. Hij werd in 1883 in Engeland geboren, en overleed in 1957.




Bij een zoektocht naar een of andere illustratie kwamen de prenten van Detmold tevoorschijn, en dat was een wonderbaarlijke ontdekking. Kinderen die vanaf 1894 zijn boeken lazen moeten met rode oortjes naar de prachtige plaatjes hebben gekeken die Edward aanleverde voor de omslag en de inhoud van onderandere Rudyard Kipling's "Jungle Book", uitgegeven door Hodder & Stoughton, en "De zeven reizen van Sindbad de Zeeman" dat verscheen kort na 1885, als Andrew Lang's adaptatie van Sir Richard Burton's vertaling van "Arabian Nights".
Hier was stuff waar dromen van gemaakt worden, en waar creativiteit wordt aangemoedigd.

De eerste sultan in India, Khilji, had van zijn fondsenwervingstochten naar het zuiden en oosten de jaďn, boeddhistische, en hindugrotten van de Deccan ontdekt: Aladdin's Grot uit 1001 Nacht was geboren: on voor stel bare rijkdommen, dat wil zeggen, een bronzen beeld hier, een halfedelsteen in het front van een standbeeld daar, maar je moest thuis toch iets te vertellen hebben. Tegen Detmold's tijd was het huidige Bengalen al lang en breed geďslamiseerd, Detmold's landgenoten hadden moslims als huis- en kantoorpersoneel want die koppige indigenen bleven maar roepen dat het land van hún was.
Een "Arabier" op een olifant, het was normaal; de ongunstig bekende sultan Ŕurangzeb, 17de eeuw, had bepaald dat hindus en andere niet-moslims niet meer op olifanten mochten rondreizen, en dus zagen de Portugezen in en rond hun handelsposten "Arabieren" op olifanten — waardoor de 18de-eeuwse illustrator van Abbé Prévost's reisverhalen werd geďnspireerd tot het tekenen van olifanten met wel erg slappe knieën, erg dikke voeten, en een overdreven gerimpelde slurf, niet de hier getoonde oude mastodont; dat is een werk van de hand van Detmold.

Misschien waren de britse schrijvers en illustratoren (niet Prévost, die was Frans) wel de eersten die verhalen schreven waarin "de ander" de hoofdrol speelde, helemaal in en vanuit hun eigen cultuur en element, uiteraard wel zoals de tekenaars en schrijvers uit het hoge noorden dat begrepen. En daarmee zijn deze schrijvers en illustratoren waarschijnlijk "trailblazers" geworden, koplopers die collegae er in principe op wezen dat dit mogelijk is: de beschaving van andere culturen, en de personen die daarin rondgaan als volwaardig en vanzelfsprekende hoofdpersonen aannemen. Met Sindbad en de Sprookjes uit 1001 Nacht was dat nog gemakkelijk; een Pers had ze geschreven, maar van Kipling moeten we toch zeggen dat hij afweek van het pad waarin "de ander", c.q. "het andere" wel een belangrijk romanpersonage mocht zijn, maar dan toch met een westerse (europese/britse) hoofdpersoon als verbindingsstreepje die, als de Reien in de Griekse dramas, de gebeurtenissen verklaarde.

Tussen de tijd van Kipling en Burton/Lang's tijd en de onze is er veel tijd verstreken voordat er opnieuw vanuit "de ander" werd verteld, geromantiseerd, verklaard.
Nog in 2016 hoorden we een van Nęerlands talking heads een verslaggever die gestationeerd was in een Oosteuropees land kapittelen: je moet met ónze ogen naar hen kijken. De arme verslaggever wist niet hoe hij het had, probeerde het later nog eens, en verdween vervolgens van de nederlandse buis; hij was niet objectief.
Zo'n scęne deed zich begin 2018 opnieuw voor. Opnieuw werd een verslaggever op het hart gedrukt vooral "met ónze ogen" naar het andere te kijken.
Tja, zo word je nooit wijzer. Wie zich niet in mag leven in het andere wordt een soort Gauguin die het andere wel schildert, maar er niets van begrijpt, er niet mee meeleeft, het niet kan duiden. Dat draagt niet bij tot vrede. Zo blijven we het andere als potentieel gevaarlijk zien, en wat we gevaarlijk achten, daar gaan we een hekel aan krijgen, en waar we een hekel aan krijgen daar worden we bang van, en waar we bang van zijn dat jagen we op zijn best onze tuin uit: vort! wegwezen!

Zoals het ontwaken uit de laatnegentiende-eeuwse romantische droom over een mysterieus en onschuldig boeddhisme vooral voor een deel van de angelsaksische media een "rude awakening" lijkt te zijn, zo is dat ook het geval voor het Iran van vandaag. Toen waren ze nog decadent maar onschuldig, toen, in de ogen en oren van lieden op het westers halfrond die zich een perzische zeeman op een olifant droomden. Vandaag herinnert niemand zich nog Rumi, Sheherazade en de tuinen van Isfahan; men heeft zich laten vangen in het net van verhalen over atoomdreiging en regionale machtswellust. Boem! weg mooie droom.

Naar de nieuwspagina




Nieuws over Boeddhisme is een productie van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme.
De paginas bestaan sinds september 2004.
email: whitejaderiver@gmail.com / contactwjr@yahoo.nl

Stichting onder nummer 20138036.