Er zijn weinig vertalingen van boeddhistische geschriften gemaakt door kinderen van het continent van India. Dat komt omdat de taal — de een zegt Magadhees, de ander zegt Prakrit, een derde introduceerde het "Hybrid Sanskrit" — van de streek waar Boeddha nog het meest verbleef heel lange tijd als dialect werd beschouwd, en dialecten bestudeerde men niet, dat was geen "zuivere taal" zoals het Sankriet wordt genoemd.
Maar dan heeft iemand als Vènkata Rámanan toch een vertaling geproduceerd van Nāgārjuna's "Mahāprajñāpāramitā Shastra", de grote (mahā) verhandeling (shastra) over de verheven eigenschap (pāramitā) van wijsheid (prajñā). Een aantal alineas zijn hier bekend. Daar staat:
"Wat zich ook maar in de drie sferen [verlangen (kāma-dhātu), materie (rūpa-dhātu), zonder materie (arūpa-dhātu)] bevindt, dat is allemaal een constructie van het bewustzijn, de mind.
"Hoezo? Het is in overeenstemming met je gedachten dat je de dingen realiseert. Het is de mind die Boeddha ziet, en het is de mind die Boeddha wordt. Mind zelf is Boeddha, mind zelf is mijn lichaam.
(Nog onwetend) "kent mind zichzelf niet, ziet zichzelf niet; het is vanwege onwetendheid dat men de context-gebonden aard van mind ziet. (In die staat) is mind zelf (zo gedetermineerd) ook onecht (als een schijngestalte). Al (deze) dingen ontstaan vanwege onwetendheid. De
bodhisattva dringt door in de ultieme werkelijkheid van alle dingen, te weten het eeuwige
sunyatá, dankzij (het gaan begrijpen van) deze aard van mind.
"De gewone mens houdt zich alleen maar bezig met
nāma (naam, het materiële, toel. par. 1) en làkshana (teken, kenmerk, 12e al.), gedachtenconstructen die zonder (uiteindelijke) substantie zijn.
"Omdat er een krachtig en foutief zelfgevoel is, ziet met het zelf op 4 manieren, t.w. dat "ik rūpa (vorm) ben", dat "rūpa van mij is", dat "in mij rūpa is", en dat "ikzelf in rūpa ben." (En zo gaat het ook voor de andere vier
skandhas (bij tkst 29). En op die manier zijn er samengenomen 24 verkeerde opvattingen over
zelf (tkst.14 laatste al.). (1)
"Aan diegenen die de betekenis van Boeddha's leer begrepen, die de echtheid, de waarheid omtrent provisoire namen beseften sprak hij (onbekommerd) met woorden als "ik"; maar aan diegenen die de betekenis van Boeddha's leer niet door hadden, en niet de echtheid, de waarheid omtrent provisoire namen beseften onderwees hij "er is geen ik."
(We hebben begrepen dat dit het standpunt is van Himalaya-monialen die schaterlachend het "ik", "zelf" hanteren.)
"De leer omtrent het "geen-ik" bestaat uit twee delen: de ene bestaat er in dat er gegrepen wordt naar een vaststelling: "niet-ik", terwijl er gelijktijdig een vastklampen is aan die "ik-ontkenning".
De andere is de ontkenning van "ik" met een afzien van vastklampen er aan. Zover gaat men niet, je gaat niet hechten aan die ik-ontkenning; ... los (er is geen krampachtigheid meer).
Het eerste "niet-ik" is extremistisch, het tweede is de Middenweg.
"De ultieme werkelijke aard van "ik" . . . de ultieme werkelijke aard van kennis van alles wat vorm is, de ultieme werkelijke aard van de
tathágata, dat alles is één werkelijkheid, geen twee, ononderscheiden."
(1) Alle boeddhistische stromingen hebben ieder op eigen manier de vroege "Anàtta-làkkhana sutta (soetta: leerrede)" herhaald, vandaag bekend in de taal het Pāli. De essentie van die leerrede:
Rūpa (lichamelijkheid) is 'an-atta' (niet-zelf). ―― [Ik kan niet zeggen 'ik ga langer zijn, of korter.']
Vedaná (ondervinding) is niet-zelf. ―― [Ik kan niet zeggen 'ik ga nooit meer kou of hitte voelen.']
Sañña (perceptie) is niet-zelf. ―― [Ik kan niet zeggen 'ik zal mist of felle zonneschijn niet ervaren.']
Sankhára (handelingen) zijn niet-zelf. ―― [Ik kan niet zeggen 'wat ik ook doe, dat is mijn hele wezen, dat ben ik.' Dit laatste is een afwijzen van het fatalisme — niks aan te doen; zo ben ik nu eenmaal — dat werd verkondigd door een van de asceten uit Boeddha's tijd.]
Bij de moeilijke woorden
Zoals in de meeste mahāyāna-teksten uit het India van lang geleden zien we hier nieuw gebruik van het klassieke Sanskriet. De woorden kāma-dhātu, rūpa-dhātu, arūpa-dhātu, bodhisattva, sunyatá, nāma, làkshana, skandhas , en tathágata zijn samenstellingen van twee of meer Sanskriet-termen die in de Sanskriet-literatuur als afzonderlijke woorden voorkomen, maar niet als composiet. We vinden bv. kāma bij de k, en dhātu bij de d, maar niet kāmadhātu. Door dit samenstellen zijn ze terecht gekomen in wat Franklin Edgerton Hybride Sanskriet is gaan noemen, een woordgebruik dat vooral voorkomt in manuscripten van het latere boeddhisme, het (pré-)mahāyāna, en een enkele keer in uitingen van Boeddha's volgelingen/tijdgenoten die, dat is een veronderstelling, opgevoed waren in brahmaanse middens waar het klassieke Sanskriet gebezigd werd. In aanraking met andere taalgroepen in Noord-India werd het klassieke losgelaten en een nieuw gebruik van oude termen uitgevonden om niet eerder gehoorde inzichten zo goed mogelijk onder woorden te brengen. Het zal vooral deze post-brahmaanse cluster monniken zijn geweest die Boeddha's woorden — en hun eigen gedachten daarover — zijn gaan opschrijven. Het is goed mogelijk dat andere strata van de samenleving tot andere inzichten en conclusies kwamen maar niet in staat waren om die inzichten wijd te verspreiden.
Opvallend is dat het woord bodhisattva in de 20e eeuw nog niet was opgenomen in het woordenboek Klassiek Sanskriet, maar in de 21e eeuw daar verschijnt als een term waaraan op een uitzondering na niet is toegevoegd dat ze tot het boeddhisme, en (dus) niet tot het brahmanisme behoort. We moeten dat zien binnen een nationaal discours waarbij het boeddhisme (eindelijk, als een voorbeeld van beschaving) wordt binnengetrokken — het hindutva is zoveel wijder dan het hinduïsme alleen. Het is ook iets van ons, niet van die buitenlanders die al in 1830 bezig waren met het ontwarren van de taal en de inhoud.