Zoals hier in voorgaande jaren is opgemerkt heeft het Indiase continent van voor de westerse jaartelling in de alleroudste manuscripten aandacht gehad voor de wereld om de mens heen, en niet zozeer over het wonder van zijn eigen bestaan. Pas na eeuwen zette de denker zich op een stoeltje neer en ging nadenken over het eigen lichaam en de eigen geest en hoe dat nu toch allemaal in elkaar zat en mogelijk was.
Zo heeft het pré-hinduïsme, volgen we de Sanskriet-overlevering, vastgesteld dat alle levende fenomenen zijn samengesteld uit aarde, water, lucht, vuur, en ruimte — (Skr.:) Prithvi, Jala, Vayu, Agni, en Aakash.
Exact die indeling zijn de Himalaya-boeddhistische stromingen ook gaan volgen, maar met andere metafysische invulling dan het hinduïsme, althans ten dele.
De vroege leer van het boeddhisme houdt het bij 4: (P.:) paţhavī / puthavi, jala, vaya / vayo, aggi (aarde, water, lucht/wind, vuur/energie). Met die indeling van alleen maar die 4 heeft het boeddhisme het goddelijk zijn van de grote elementen achtergelaten, van de hand gewezen. Aan de wind (vayu) wordt niet meer gevraagd 'waai eens een beetje minder', en het vuur (agni) wordt niet gesmeekt om het woud met rust te laten of juist brand te stichten bij de vijand.
Met het achterlaten van die deïficatie van de elementen zijn voor het boeddhisme ook concepten als 'priester' niet meer "im Frage". Niemand hoeft voor en namens de boeddhist dingetjes in de cosmos aan te roepen en offerandes te brengen. Z/hij heeft de oekaze meegekregen om in het eigen gemoed op zoek te gaan naar functionaliteiten waarmee de wereld tegemoet kan worden getreden. En in die zin moet ook de boeddhistische meditatie verstaan worden: een kracht en intelligentie vinden en die inzetten om het doel te bereiken.
Het cijfer vijf, dat van die vijf bovengenoemde elementen, komt in de cultuur van India veelvuldig voor. Wijzen we naar de "Pancha-Indriyas" of de vijf "gyanendriya" (indriya = vermogen) die volgens het hinduïsme van na die eerste geschriften de mens in staat stellen de wereld waar te nemen. Z/hij heeft het horen, het zien, het ruiken, het proeven, het voelen, en het gewaarworden — (Skr.:) Shrota, Chakshu, Ghrana, Rasana, Sparsha. En deze indeling volgt Boeddha's leer exact zo. Daarin zijn we het met elkaar eens.
Maar wanneer het hinduïsme het vervolgens heeft over de (Skr.:) "Pancha-Prana", ook wel de "pancha-vayus" (panch[a]) = 5) als "de 5 vitale winden", c.q. energieën die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van lichaam en mind, dan haakt het boeddhisme af, althans het exoterische boeddhisme.
Niet alleen de bovengenoemde twee levensbeschouwingen kennen het cijfer 5 als belangwekkend teken voor dit of dat, ook het daoïsme van in eerste instantie China heeft er vijf. Daar gaat het echter niet om een duiden van universele materie en fysieke functies, maar om metafysica en filosofie. Het filosofische deel van het daoïsme kent de elementen vuur, aarde, metaal, water, en hout. We zien die elementen genoemd worden bij met name teksten over alchemie. Hoe dat precies in elkaar zit zal de lezer(es) zelf moeten opzoeken, daar zijn de NoB-/WJR-paginas niet voor bedoeld.
|